DE HOOFDIGE BOER                        
(TWAC-Nieuws feb 1983, nr 1, Harrie Wegdam)                    
       
Vol goede moed waren mijn broer Theo en ik met enigszins primitieve uitrusting begonnen aan de Stoppelrit anno 1963. Als ik me niet vergis was het  
onze tweede of derde rit in de A-Klasse.      
       
Het eerste gedeelte liep als een trein. We konden zelfs de klok bijbenen. Totdat in de buurtschap Bentelo zich de eerste moeilijkheden aankondigden. De  
remmen functioneerden niet normaal, vermoedelijk vanwege de stoffige wegen. We verlieten de route en haastten ons naar de eerste de beste garage.  
We hadden ons onnodig bang gemaakt. Toen we de route ten zuiden van Delden weer opnamen waren we 20 minuten achterop geraakt.    
Via Oele en Beckum bereikten we St. Isidorushoeve, waar ik een moeilijke controle met een goed stempel beloond zag. De controle was 'bemand' door  
twee jonge controleurs: mijn bloedeigen zoon (vermoedelijk Wim, destijds ca. 17 jaar oud, red) en zijn vriend. Een complete verrassing!    
"Wat is papa laat! Kan oom Theo niet harder?" Ik kan me indenken dat hij ons graag in het bijzijn van zijn vriend als eerste had zien doorkomen. We  
waren wel in zijn achting gedaald. Hij moest eens weten hoe we ons uitsloofden.      
Zonder verdere moeilijkheden bereikten we Buurse waar de pauze was.      
Resultaat: 1 gemiste controle en 15 strafpunten. Bijna aan de kop van het klassement. Jammer dat mijn zoon hier niet aanwezig was. Wat smaakte die  
koffie met krentewegge fantastisch!      
       
Geen wonder dat we met een grote dosis zelfvertrouwen aan het tweede gedeelte begonnen. Maar zoals zo vaak gebeurt, het venijn zat in de staart! In  
mijn haast construeerde ik ten zuiden van Buurse niet de kortste route. Mijn broer maakte me er op attent dat Jan Dickmann, die vóór mij gestart was,  
een andere zijweg insloeg, maar in mijn overmoed was ik er zeker van dat Jan fout zat. Hij was wel mijn leermeester, maar vandaag voelde de leerling  
zich superieur.      
       
Plotseling stonden we voor een half openstaande slagboom met 'Verboden Toegang'. Zonder blikken of blozen werd de boom opzij geduwd en reden we  
door een prachtig bloeiend heideveld. Het karrespoor werd hoe langer hoe dieper, de met hei begroeide kam hoe langer hoe hoger. En voor we er erg in  
hadden zakten we weg in een diepe kuil. We zaten muurvast. Wat nu?      
Terwijl we nog stonden te overleggen, stond ineens een boer achter ons. Waar hij zo gauw vandaan kwam, is me nog steeds een raadsel. Blauwe kiel,  
manchester broek, pet diep over de oren, een grote schop over zijn rechterschouder. Hij keek maar, grinnikte, maar zei niets. Ik legde hem uit dat ik  
meedeed aan een dat ik me vergist had en of ik even zijn schop mocht lenen. Voorover leunend op zijn schop, links en rechts van zich afspuwend, bleef  
hij ons aanstaren met een paar gluurogen die niet veel goeds voorspelden. Hij dacht na! Weer vroeg ik hem beleefd om de schop. "Dat haj edacht! Iej  
bunt er zelm innekommn, iej zeet ok mer daj d'r oetkomt! Iej zult wel oet de stad (Enschede) kommn en woln vanmiddag met oew beidn lekker  
in de zunne goan liggn. Iej könt toch wa leazn, hakke dach, of hej stront in de oogn?". Dat was recht voor z'n raap. Zo klaar als een klontje.  
Van hem was geen hulp te verwachten. Zonder om te kijken sjokte hij over de mulle zandweg naar zijn boerderij, die in de verte nog juist zichtbaar was.  
       
Even later kwam nog een deelnemer de hei oprijden. Deze was zo verstandig bijtijds te stoppen en kwam lopend naderbij. De wil om te helpen was wel  
aanwezig, maar geen trekkabel. We zagen hem weer met lede ogen vertrekken. Nu pas begon tot me door te dringen dat hier de rit voor ons was  
afgelopen. Alle illusies vervlogen. Hoe had ik zo stom kunnen zijn! We sloten de wagen af en op een sukkeldrafje ging het harde weg, ca. 10 minuten  
lopen. We passeerden de boerderij. We voelden dat hij ons door het keukenraam met zijn streepogen stond na te gluren.      
Aan de harde weg lag een grote boerderij. Ook hier vingen we bot. De 'manleu' waren niet thuis. Op 'andermans grond' kon men moeilijk hulp gaan  
bieden. Dat gaf ruzie in de 'noaberschop', aldus de boerin. Bovendien vertelde ze ons dat we met 'ne heeln slimn' te doen hadden. We belden van hieruit  
naar Haaksbergen om een kraanwagen. Na een half uur wachten pikte de chauffeur ons op en ging het richting heideveld. Alvorens het heideveld in te  
rijden, liep hij even met ons mee om de situatie te verkennen. Het leek hem geen moeilijk karweitje en hij ging terug om de kraanwagen op te halen.  
Toen hij echter niet kwam opdagen gingen wij op onze beurt poolshoogte nemen. En wat zagen we? De blauwkiel stond, nog hijgend van de 400 meter  
sprint, in zijn volle omvang midden voor de slagboom. Zijn grond was en bleef verboden terrein voor iedereen. De chauffeur probeerde een duit in het  
zakje te doen. "Zeg Jans, ik harre dach daj wiezer warn, ze hebt oew toch niks kapottemaakt, loat ze toch goan". De boer kreeg in de gaten, dat  
de Haaksbergenaar hem kende. Hij geneerde zich voor zijn kinderachtige houding, maar dacht ook aan het geld dat hij had kunnen verdienen: "Iej hebt  
good proatn, iej wort'r better an,      
good proatn, iej wort'r better an, iej kriegt oew geld wal". En tegen ons: "Weej wat, aj mie ne gulden geeft, dan mag de kraanwaagn d'r in.  
Dan heb ik ook nog wat en kaan'k mie morgen 'n deuske sigaretn koopn". Het hoge woord was er uit: hij, als eigenaar van de grond, mocht toch  
ook wel iets hebben. Nooit heb ik een gulden met meer tegenzin uitgegeven.      
       
In een ommezientje stonden we weer op de brede zandweg. Toen we de boer passeerden konden we het niet nalaten hem van een extra stofwolkje te  
laten genieten. De rit was voor ons afgelopen. De controles waren reeds opgerold. In de einduitslag stonden we als laatste vermeld met de voor allerlei  
uitleg vatbare toevoeging: 'Pech'.